2.11.5 Elektrische installatie
- De elektrische installatie moet voldoen aan NEN 3140 en NEN 1010;
- Kabels van pompen, vlotter en sensor(-en) direct op de klemmen in de automaat monteren indien de maximale kabellengte 25 meter is. Anders lasdozen in overleg met de gemeente toepassen. Geen lasdozen in de pompput, bovengrondse lasdoos in koppelkast toepassen;
- Geen lasdozen in de pompput, bovengrondse lasdoos in de koppelkast toepassen;
- Apparatuur goed bereikbaar en gemaalcomputer op afleesbare hoogte plaatsen;
- De installatie voorzien van een mobiele router-modem;
- Ampèremeters van groot formaat of digitale ampèremeters in APP;
- Alle meet- en schakelpeilen in NAP;
- De gemaalcomputer beveiligen tegen overspanning, zoals de fabrikant voorschrijft (dit geldt ook voor de sensor en indien nodig de voeding van het energieleverend bedrijf);
- Overstortmeting, bruto en netto (alleen bij bergbezink en/of retentievoorziening);
- Besturing van de pompen via de gemaalcomputer van Nexicon;
- Op de gemaalcomputer moet het volgende minimaal aangesloten te zijn:
- Stroomtrafo’s t.b.v. de pompen.
- Thermische beveiliging per pomp.
- Storing van de frequentie-omvormer en/of softstarter (indien aanwezig).
- Pomp in bedrijf.
- Pompschakelaars op uit (in serie met werkschakelaar).
- Storing van de stuurstroom.
- Hoogwaterwipper.
- Niveausensor (radar niveaumeting Vega Puls C21 met Vega verstelbare sensorbeugel rvs).
- Overstortsensor (zie hierboven), intern en extern (alleen bij een bergbezink- en/of retentievoorziening).
- Niveausensor (zie hierboven) van het lozingsriool (alleen bij een bergbezink- en/of retentievoorziening).
- Spoelsysteem in bedrijf (alleen bij een bergbezink- en/of retentievoorziening).